Het presidentschap van de Verenigde Staten kent geen vrije weekenden of zomervakanties in de traditionele zin van het woord. Hoewel het werk in de Oval Office ononderbroken doordraait, zoeken staatshoofden al sinds het ontstaan van het land naar rustiger oorden om te werken. Deze traditie van het ‘zomerse Witte Huis’ begon dicht bij de hoofdstad, maar breidde zich uit naar het hele land. Persoonlijke voorkeuren en opmerkelijke uitspraken van presidenten zoals Ulysses S. Grant en Calvin Coolidge gaven deze historische locaties hun specifieke karakter en functie.
- Amerikaanse presidenten combineren hun werkzaamheden al generaties lang met tijdelijke verblijven buiten Washington D.C.
- Ulysses S. Grant noemde de kustplaats Long Branch de beste plek voor een zomerresidentie die hij ooit zag.
- Locaties zoals de boerderij van Eisenhower in Gettysburg dienden als informeel podium voor internationale diplomatie.
Grant en Coolidge lieten hun oordeel over vakantieoorden duidelijk horen
In de beginjaren bleven presidenten dicht bij de hoofdstad. James Buchanan en Abraham Lincoln maakten gebruik van een huisje op het terrein van het Old Soldiers’ Home in Washington D.C., waar Lincoln waarschijnlijk werkte aan de Emancipation Proclamation. Met de opkomst van betere vervoersmiddelen trokken staatshoofden steeds verder het land in.
“In al mijn reizen heb ik nooit een betere plek voor een zomerresidentie gezien dan Long Branch,” schreef Ulysses S. Grant toen hij de kustplaats in New Jersey in 1867 bezocht.
Grant doopte de plaats om tot zijn zomerse hoofdstad en betrok er een victoriaans huisje aan zee met zijn gezin. Een andere opvallende reactie kwam van Calvin Coolidge, die verder naar het westen trok dan zijn voorgangers. Hij verbleef in de State Game Lodge in de Black Hills van South Dakota. Lokale forelvisserij en een ceremoniële adoptie door de Sioux-stam gaven de doorslag. Coolidge vatte zijn verblijf kort en krachtig samen: “Ik heb een goede tijd gehad.”
Strenge criteria en buitenlandse reizen bepaalden de werkplek
Niet elke president koos zijn verblijf op basis van toevallige ontdekkingen; sommigen stelden harde eisen. Herbert Hoover had drie specifieke voorwaarden voor Rapidan Camp in Virginia: het moest binnen 100 mijl van Washington liggen, koeler zijn dan de hoofdstad én beschikken over een forellenstroom.
Franklin D. Roosevelt verbleef tijdens zijn jeugd op Campobello Island in Canada en keerde er tijdens zijn presidentschap drie keer terug in de zomer. Een van die bezoeken was een visreis in 1939, slechts enkele weken voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.
Informeel overleg en natuurbeleid op het platteland
De buitenverblijven dienden regelmatig als het decor voor belangrijke politieke ontmoetingen en besluiten. Dwight D. Eisenhower ontving op zijn rustige boerderij in Gettysburg buitenlandse leiders en diplomaten om de spanningen tijdens de Koude Oorlog te verminderen.
President Lyndon B. Johnson voerde maar liefst een kwart van zijn gehele presidentschap uit vanaf zijn ranch in Texas, waar hij vergaderde onder een eikenboom.
Ook bij andere presidenten liet de werkomgeving sporen na in het beleid. Jimmy Carter maakte in 1978 een kanotocht op de Salmon River in Idaho, een ervaring die bijdroeg aan latere wetgeving voor natuurbehoud. John F. Kennedy gebruikte het bekende Kennedy Compound in Hyannis Port als basis voor zijn campagne in 1960 en als zomers werkverblijf, terwijl Ronald Reagan later werkte vanaf zijn Rancho del Cielo nabij Santa Barbara.
Welke van deze historische zomerse werkplekken spreekt u het meeste aan om zelf eens te bezoeken? Deel uw gedachten hieronder.


























