Een van de meest vooraanstaande Amerikaanse onderzoekers op het gebied van schoolgeweld, professor Ron Avi Astor van de Universiteit van Californië (UCLA), heeft tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de American Educational Research Association openlijk erkend dat zijn jarenlange theorie over het voorkomen van schietpartijen op scholen onjuist was. Decennialang werd aangenomen dat het bestrijden van pesten en het verbeteren van het schoolklimaat dodelijk geweld zou voorkomen. Hoewel het meenemen van wapens naar school door dit beleid daadwerkelijk afnam, bleef het aantal schietincidenten landelijk stijgen. Astor stelt nu dat de drang naar bekendheid en media-aandacht de echte motor achter de aanslagen is.
- Onderzoeker Ron Avi Astor erkent dat anti-pestprogramma’s en sociaal-emotionele zorg het aantal school shootings niet hebben verminderd.
- Data tonen aan dat het dragen van wapens op scholen daalde, terwijl het aantal schietpartijen in de VS juist scherp steeg.
- Daders worden voornamelijk gedreven door de wens om via nationale media en online platforms bekendheid te vergaren.
- Preventie moet zich volgens de onderzoeker voortaan richten op mediagidsen en het beperken van aandacht voor de daders.
Lange focus op pesten verklaart de stijging niet
Jarenlang adviseerde Astor beleidsmakers om te investeren in sociaal-emotioneel leren, trauma-opvang, herstelrecht en anti-pestprogramma’s. Scholen gaven op grote schaal gehoor aan die aanbevelingen. Die inspanningen wierpen op veel vlakken vruchten af: de algemene veiligheid op scholen verbeterde en het aantal leerlingen dat wapens mee naar school nam, vertoonde een dalende lijn. In de staat Californië nam het wapenbezit onder jongeren in de kwarteeuw sinds het bloedbad op Columbine High School gestaag af.
De veronderstelling dat het terugdringen van pesten ook massale schietpartijen zou stoppen, bleek echter niet te kloppen. Terwijl het aantal wapens op scholen afnam, steeg het aantal schietincidenten op Amerikaanse scholen landelijk juist scherp. Deze tegenstelling dwong wetenschappers om hun uitgangspunten grondig te herzien en te erkennen dat schutters door andere factoren worden gedreven dan door hun directe schoolomgeving.
De drang naar nationale bekendheid als motor
De kern van de herziene visie verschuift van het klaslokaal naar het nationale en digitale medialandschap. Volgens Astor richten potentiële daders zich niet primair op hun lokale school, maar op een landelijk publiek. Veel van de schutters kampen met suïcidale gedachten, maar besluiten over te gaan tot dodelijk geweld om zo naam te maken en herinnerd te worden. Ze bestuderen eerdere massamoorden, wisselen informatie uit via online gemeenschappen en rekenen op de grootschalige verslaggeving die op een aanslag volgt.
Dit betekent dat het versterken van sociale veiligheid op scholen weliswaar waardevol is voor het welzijn van leerlingen, maar niet werkt als middel om dodelijke schietpartijen te voorkomen.
Deze analyse sluit aan bij de manier waarop in de gedragswetenschappen wordt gekeken naar verspreidingspatronen bij zelfdodingen en terrorisme. Uitgebreide en dramatiserende mediadagboeken kunnen een ‘besmettings-effect’ veroorzaken, waarbij kwetsbare individuen worden geïnspireerd om soortgelijke daden te plegen.
Nieuwe preventiestrategie vereist samenwerking met de media
Omdat de oorzaak van het probleem buiten de schoolmuren ligt, verandert ook de voorgestelde oplossing. Astor pleit ervoor dat de nadruk verschuift naar afspraken met journalisten, mediabedrijven en sociale netwerken. Hij stelt voor om strikte richtlijnen te hanteren die de aandacht voor de dader minimaliseren. Denk hierbij aan het vertragen of achterhouden van manifesten en video’s van de schutter, en het verleggen van de focus in het nieuws naar de slachtoffers.
Hoewel het beïnvloeden van de media en internetplatforms een complexe opgave is zonder garanties op succes, ziet de onderzoeker dit als de enige logische stap om de spiraal van imitatiegeweld te doorbreken.


























